Naar inhoud springen

afglijden

Uit WikiWoordenboek
  • af·glij·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afglijden
gleed af
afgegleden
klasse 1 volledig

afglijden

  1. ergatief door glijden van iets afdalen
    • Hij was op zijn sleetje van het dijkje afgegleden. 
  2. niet tot iemand doordringen; niet door iemand begrepen worden
     Dat kwam doordat vrijwel alles wat de dokter had gezegd langs haar was afgegleden en ze van de medicijnen niets begreep.[1]
  3. iets niet laten doordringen
     Vind je het gek dat je telkens uitgeput bent?' Ik laat haar woorden van me afglijden en concentreer me op het water. Het liefst goot ik het over mijn hoofd uit. Te veel hitte. Te veel conflict. Te veel van alles.[2]
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[3]
  1. All-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht op Wikipedia, ISBN 90-229-9182-2
  2. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be