afglijden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·glij·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afglijden
gleed af
afgegleden
klasse 1 volledig

Werkwoord

afglijden

  1. ergatief door glijden van iets afdalen
    • Hij was op zijn sleetje van het dijkje afgegleden. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.