afbinden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·bin·den
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afbinden
bond af
afgebonden
klasse 3 volledig

afbinden [1]

  1. iets afsluiten door er een touw of koord omheen te binden
    • De Nijmeegse fysioloog Dick Thijssen heeft nu een nieuwe methode ontdekt om prestaties te bevorderen. Hardlopers gaan sneller als ze voor de wedstrijd hun armen of benen viermaal vijf minuten afbinden. Zo roepen ze de bloedsomloop tijdelijk een halt toe. Dat blijkt te helpen.Als deze vondst erkenning krijgt, zal het niet lang duren eer onder topsporters tijdelijke insnoering van een ledemaat gemeengoed is geworden. Omdat elke (tiende van) een seconde telt. De uitstraling naar de amateursport zal daarna groot zijn. Elke sporter wiens prestaties in tijd worden gemeten, wil tenslotte niet alleen de tegenstander maar ook zichzelf verslaan.[2] 
    • CRACK is al anderhalf jaar actief in Californië, waar inmiddels 57 verslaafde vrouwen 200 dollar hebben ontvangen, in de meeste gevallen voor het laten afbinden van hun eileiders. Die 57 vrouwen waren bij elkaar 423 keer zwanger geweest, hadden 161 abortussen ondergaan en 262 kinderen gekregen, van wie er veertig zijn gestorven en 175 door pleegouders worden opgevoed.[3]  
  2. een deel van een groter geheel losmaken door middel van een koord of touw
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC John Kroon 30 juli 2012
  3. NRC Juurd Eijsvoogel 29 juli 1999