adequaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ade·quaat
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘overeenkomstig’ voor het eerst aangetroffen in 1658 [1]
  • Afkomstig uit het Latijn.
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen adequaat adequater adequaatst
verbogen adequate adequatere adequaatste
partitief adequaats adequaters -

Bijvoeglijk naamwoord

Bijwoord

adequaat

  1. correct en passend bij het beoogde doel
    • Zout is een adequaat middel tegen gladheid. 
    • De piloot reageerde adequaat toen de motoren van het vliegtuig uitvielen en wist het vliegtuig keurig op de snelweg te laten landen. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen