achterstallig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ter·stal·lig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘niet op tijd betaald’ voor het eerst aangetroffen in 1299 [1]
  • Afgeleid van achterstal met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen achterstallig achterstalliger achterstalligst
verbogen achterstallige achterstalligere achterstalligste
partitief achterstalligs achterstalligers -

Bijvoeglijk naamwoord

achterstallig

  1. niet op tijd, iets wat je eerder had moeten doen
    • Hij moet nog achterstallige betalingen uitvoeren. 
    • De leerling moest zijn achterstallig huiswerk ook nog maken. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen