aanwezen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·we·zen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

aanwezen [2]

  1. tegenwoordigheid, existentie, aanzijn [3]

Werkwoord

vervoeging van
aanwijzen

aanwezen

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van aanwijzen
    • ...dat wij aanwezen. 
    • ...dat jullie aanwezen. 
    • ...dat zij aanwezen. 

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen