leunen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leu·nen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘steunen op of tegen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1439 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
leunen
leunde
geleund
zwak -d volledig

Werkwoord

leunen

  1. inergatief steunen, het evenwicht bewaren door het eigen gewicht deels door iets anders te laten steunen
    • Hij leunde tegen de muur. 
    • De Koning leunde voorover in zijn Troon en zijn stem klonk zacht, toen hij verder ging: 'Hij heeft besloten om naar de Zuidelijke Doorgang te gaan. Hij wil een poging doen om in de Vallei der Dwaasheid te komen. Dat betekent dat hij de Trappen van het Kwaad zal moeten beklimmen. Wij hier weten hoe gevaarlijk dat kan zijn. Wij kunnen hem niet vergezellen op zijn tocht.'[2] 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen