zolder
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zol·der
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zolder | zolders |
| verkleinwoord | zoldertje | zoldertjes |
Zelfstandig naamwoord
zolder m
- (bouwkunde) een houten vloer over een balklaag
- (bouwkunde) de ruimte tussen de bovenste vloer en de onderste kapspanten, plaats om goederen op te slaan
- ruimte onder een (schuin) dak
- Haal jij die dozen even van de zolder?
Afgeleide begrippen
Vertalingen
3. ruimte onder een (schuin) dak
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zolderen |
zolder
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zolderen
- Ik zolder.
- gebiedende wijs van zolderen
- Zolder!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zolderen
- Zolder je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.