wied

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: wiet

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wied
enkelvoud meervoud
naamwoord wied -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

wied o

  1. onkruid.
    Je moet het wied even weghalen.
Vertalingen
Opmerkingen
  • Dit woord is het Surinaams-Nederlandse woord voor onkruid. Vroeger was het ook gangbaar in het Europese Nederlands.
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
wieden

wied

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wieden
    Ik wied.
  2. gebiedende wijs van wieden
    Wied!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wieden
    Wied je?


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /wiːd/ (Etsbergs)

Bijvoeglijk naamwoord

wied

  1. ver
  2. wijd
  3. breed

Bijwoord

wied

  1. ver
    «Wie wied guuef 't nag tèl Mestreech?»
    Hoe ver is het nog tot Maastricht?


Maltees

Woordherkomst en -opbouw
  • Ontwikkeld uit het Klassiek-Arabische واد (wādī; dal).

Zelfstandig naamwoord

wied

  1. vallei, dal.