absolver
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Spaans
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| absolver |
absolvía |
absuelto |
| volledig | ||
Werkwoord
absolver
Woordafbreking
- ab·sol·ver
- (overgankelijk)
- vrijspreken
- vergeven, absolveren, de absolutie geven
- ontheffen, vrijstellen