vormen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| vormen | vormend |
| vorming | - |
| vormsel | - |
Uitspraak
Woordafbreking
- vor·men
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| vormen |
vormde |
gevormd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
vormen
- in de juiste vorm brengen
- Ik wil eerst rondkijken en mezelf een mening vormen.
- deel uitmaken van, fungeren als bouwsteen van
- Vanille-ijs en aardbeien vormden het toetje.
- Insecten vormen de grootste groep dieren op aarde.
- maken, veroorzaken
- Extremisten vormen een ernstige bedreiging voor onze samenlevening.
- Het vormt een te groot risico.
Vertalingen
1. in de juiste vorm brengen
2. deel uitmaken van, fungeren als bouwsteen van
3. maken, veroorzaken
Zelfstandig naamwoord
vormen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vorm