vorm
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vorm
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vorm | vormen |
| verkleinwoord | vormpje | vormpjes |
Zelfstandig naamwoord
vorm
- ruimtelijke begrenzing van een voorwerp
- Een stuk land in de vorm van een driehoek.
- sjabloon of bak waarin iets gegoten of geperst kan worden
- Het deeg van de taart werd in de vorm gedaan.
- (veranderlijke) toestand van iets concreets
- Het voorstel in deze vorm.
- De module in deze vorm.
- (sport) lichamelijke conditie
- Hij is goed in vorm.
- (grammatica) lijdende ~, passieve ~, → lijdende vorm
- (grammatica) actieve ~, vormen van het werkwoord waarmee wordt uitgedrukt dat het onderwerp de handeling actief verricht
Synoniemen
Hyponiemen
- [2] gietvorm, persvorm
- [3] kneedvorm, poedervorm
- [4] topvorm
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
Meer informatie
- Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| vormen |
vorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vormen
- Ik vorm.
- gebiedende wijs van vormen
- Vorm!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vormen
- Vorm je?
Noors
Zelfstandig naamwoord
- vorm
- verouderde spelling van vormgut van vóór 2005
- (verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud, mannelijk