vorm
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vorm
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vorm | vormen |
| verkleinwoord | vormpje | vormpjes |
Zelfstandig naamwoord
vorm
- ruimtelijke begrenzing van een voorwerp.
- Een stuk land in de vorm van een driehoek.
- sjabloon of bak waarin iets gegoten of geperst kan worden.
- Het deeg van de taart werd in de vorm gedaan.
- lichamelijke conditie.
- Hij is goed in vorm.
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
| vormen |
vorm