vorm

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vorm
enkelvoud meervoud
naamwoord vorm vormen
verkleinwoord vormpje vormpjes

Zelfstandig naamwoord

vorm

  1. ruimtelijke begrenzing van een voorwerp.
    Een stuk land in de vorm van een driehoek.
  2. sjabloon of bak waarin iets gegoten of geperst kan worden.
    Het deeg van de taart werd in de vorm gedaan.
  3. lichamelijke conditie.
    Hij is goed in vorm.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
vormen

vorm

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vormen
    Ik vorm.
  2. gebiedende wijs van vormen
    Vorm!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vormen
    Vorm je?
Persoonlijke instellingen