vizier
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vi·zier
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vizier | vizieren |
| verkleinwoord | viziertje | viziertjes |
Zelfstandig naamwoord
vizier o
- een richttoestel op de loop van een vuurwapen
- Hij had 'm in het vizier.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vizier | viziers |
| verkleinwoord | viziertje | viziertjes |
Zelfstandig naamwoord
vizier m
- een minister, een hoog staatsdienaar onder een Oosters heerser zoals een sultan
Afgeleide begrippen
Verwijzingen
- M.J. Koenen - J. Endepols, Verklarend Handwoordenboek der Nederlandse Taal (tevens Vreemde-woordentolk), Groningen, Wolters-Noordhoff, zesentwintigste druk 1969.