vizier

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vi·zier
enkelvoud meervoud
naamwoord vizier vizieren
verkleinwoord viziertje viziertjes

Zelfstandig naamwoord

vizier o [1]

  1. een richttoestel op de loop van een vuurwapen
    Hij had 'm in het vizier.
  2. klep aan een hoofddeksel of opening in een helm waar men doorheen kan kijken
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord vizier viziers
verkleinwoord viziertje viziertjes

Zelfstandig naamwoord

vizier m

  1. een minister, een hoog staatsdienaar onder een Oosters heerser zoals een sultan [2]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl
  • M.J. Koenen - J. Endepols, Verklarend Handwoordenboek der Nederlandse Taal (tevens Vreemde-woordentolk), Groningen, Wolters-Noordhoff, zesentwintigste druk 1969.