zoeker

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zoe·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zoeker zoekers
verkleinwoord zoekertje zoekertjes

Zelfstandig naamwoord

zoeker m

  1. iemand die zoekt
    Hij is altijd een beetje een zoeker gebleven.
  2. een instrumentje op of aan een camera dat het richten ervan vergemakkelijkt
    Eindelijk werd zijn geduld beloond en had hij een sneeuwluipaard in zijn zoeker.
  3. een lijst of catalogus die het zoeken van een product of dienst vergemakkelijkt
  4. (informatica) een elektronische versie van [3]