zoeker
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zoe·ker
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van zoeken met het achtervoegsel -er
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zoeker | zoekers |
| verkleinwoord | zoekertje | zoekertjes |
Zelfstandig naamwoord
zoeker m
- iemand die zoekt
- Hij is altijd een beetje een zoeker gebleven.
- een instrumentje op of aan een camera dat het richten ervan vergemakkelijkt
- Eindelijk werd zijn geduld beloond en had hij een sneeuwluipaard in zijn zoeker.
- een lijst of catalogus die het zoeken van een product of dienst vergemakkelijkt
- (informatica) een elektronische versie van [3]