ville

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • vil·le

Werkwoord

vervoeging van
villen

ville

  1. aanvoegende wijs van villen

Deens

Woordafbreking
  • vil·le
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord vilja.
stamtijd
onbepaalde
wijs
tegenwoordige
tijd
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ville
vil
ville
villet
volledig

Werkwoord

ville

  1. (overgankelijk) willen
  2. (overgankelijk) mogen
  3. (hulpwerkwoord) zullen (hulpwerkwoord met een infinitief voor de toekomende tijd)
  4. (hulpwerkwoord) zullen (hulpwerkwoord voor de aanvoegende wijs)


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  ville     la ville     villes     les villes  

Zelfstandig naamwoord

ville v

  1. stad
    «Nous habitons la ville de Montpellier.»
    Wij wonen in de stad Montpellier.
    «Samedi prochain, je vais à la ville pour acheter des vêtements.»
    Volgende zaterdag ga ik naar de stad om kleren te kopen.


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • vil·le
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord vilja.
Naar frequentie 59
vervoeging
onbepaalde wijs ville
tegenwoordige tijd vil
verleden tijd ville
voltooid
deelwoord
villet
onvoltooid
deelwoord
villende
lijdende vorm villes
gebiedende wijs -
vervoegingsklasse onregelmatig
opmerking

Werkwoord

ville

  1. (overgankelijk) willen
  2. (overgankelijk) mogen
  3. (hulpwerkwoord), (modaal werkwoord) zullen (hulpwerkwoord met een infinitief voor de toekomende tijd)
  4. (hulpwerkwoord), (modaal werkwoord) zullen (hulpwerkwoord voor de aanvoegende wijs)
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen