vaststellen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: vaststellen (hulp, bestand)
- IPA: /ˈvɑst(st)ɛlə(n)/
Woordafbreking
- vast·stel·len
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| vaststellen /ˈvɑst(st)ɛlə(n)/ |
stelde vast /ˌstɛɫdəˈvɑst/ |
vastgesteld /ˈvɑstxəˌstɛɫt/ |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
vaststellen
- (overgankelijk) bevestigen dat iets zo is
- Toen de agent bij het ongeluk kwam, kon hij vaststellen dat de auto tegen de lantaarnpaal was gereden.
- (overgankelijk) opleggen
- De overheid stelt regels vast voor het verkrijgen van een paspoort.
Vertalingen
2. opleggen.