staan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • staan
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: staen
Oudnederlands: stān
Germaans: *stānan
Indo-Europees: *steh₂-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: stand (Angelsaksisch: standan), Duits: stehen, (Oudhoogduits: stān, stēn), Fries: stean (Oudfries: stonda)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: stå, (Oudnoors: stá), Faeröers: stá
Oost: Gotisch: standan
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
staan
stond
gestaan
klasse 6 volledig

Werkwoord

staan

  1. (inergatief) zich in verticale toestand van rust bevinden
    Hij stond al een uur in de rij.
  2. (hulpwerkwoord) ~ te: duratief hulpwerkwoord: tijdens het staan iets doen
    Hij staat buiten te telefoneren.
    Hij heeft een hele tijd staan telefoneren.
  3. (hulpwerkwoord) ~ te: hulpwerkwoord van een, vaak dreigende, onmiddellijke toekomst
    Dat staat te gebeuren.
Afgeleide begrippen
Opmerkingen
  • [2] In samengestelde tijden vervalt te.
Anagrammen
Uitdrukkingen en gezegden
  • haaks op iets staan
  • in lichterlaaie staan
met uitslaande felle vlam branden
  • op de stoep staan
  • zijn haren gingen (recht) overeind staan
Vertalingen