oefenen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oe·fe·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oefenen
oefende
geoefend
zwak -d volledig

Werkwoord

oefenen

  1. (inergatief) proberen zonder fouten uit te voeren
    De solist was zijn solo aan het oefenen voordat hij een concert gaf.
Synoniemen
Vertalingen