komen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
komen komend
komst gekomen
Uitspraak
Woordafbreking
  • ko·men
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: comen
Oudnederlands: kuman
Germaans: *kwemanan
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: come (Angelsaksisch: cuman), Duits: kommen, (Oudhoogduits: queman, kuman), Fries: komme (Oudfries: koma)
Noord: Zweeds: komma, Deens/Noors: komme, (Nynorsk: koma, kome, Oudnoors: koma), IJslands/Faeröers: koma
Oost: Gotisch: qiman
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
komen
/'komə(n)/
kwam
/kʋɑm/
gekomen
/ɣə'komə(n)/
klasse 4 volledig

Werkwoord

komen

  1. (ergatief) bewegen van verder weg naar dichterbij
  2. (ergatief) een orgasme hebben, klaarkomen
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: boven water komen
bovenkomen
  • [1]: niet uit de verf komen
niet goed tot zijn recht komen
  • [1]: tussenbeide komen
interfereren
Vertalingen