toeschouwer
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: toeschouwer (hulp, bestand)
- IPA: /tusxɔuər/
Woordafbreking
- toe·schou·wer
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | toeschouwer | toeschouwers |
| verkleinwoord | toeschouwertje | toeschouwertjes |
Zelfstandig naamwoord
toeschouwer m
- iemand die naar iets kijkt
- De toeschouwers zagen hoe hij verdonk en belden direct 112.
- een bezoeker van een wedstrijd of een voorstelling
- In het stadion waren veel toeschouwers aanwezig.
Synoniemen
Vertalingen
1. iemand die naar iets kijkt