teleurstellen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- te·leur·stel·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| teleurstellen |
stelde teleur |
teleurgesteld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
teleurstellen
- (overgankelijk) iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen
- We hoeven hen nu niet langer meer teleur te stellen.
- De kwartaalresultaten van de vliegtuigbouwer stelden de beleggers teleur.
Vertalingen
1. iemand op onaangename wijze verrassen, vaak door een belofte niet na te komen