tegenspeler
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- te·gen·spe·ler
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | tegenspeler | tegenspelers |
| verkleinwoord | tegenspelertje | tegenspelertjes |
Zelfstandig naamwoord
tegenspeler m
- een speler van de tegenpartij
- iemand die met een ander samenspeelt
Vertalingen
1. een speler van de tegenpartij