sturen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- stu·ren
Woordherkomst en -opbouw
|
|
|
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| sturen /'styːrə(n)/ |
stuurde /'styːrdə/ |
gestuurd /ɣə'styːrt/ |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
sturen
- (inergatief) de richting bepalen waarin een schip zich voortbeweegt
- De kapitein stuurde behendig rond alle hindernissen.
- (inergatief) het stuur van een auto bedienen
- Omdat ik nog geen rijbewijs heb, mag ik voorlopig niet sturen.
- (inergatief) de instructies van een roer of stuur opvolgen
- Kleine wagentjes sturen gemakkelijk; dat is een voordeel in het drukke stadsverkeer.
- (overgankelijk) de richting bepalen waarin [een voertuig] zich voortbeweegt
- De rallyrijder stuurde zijn wagen razendsnel door de bochten.
- (overgankelijk) zorgen dat [een situatie] zich in een bepaalde richting ontwikkelt
- Zijn onverwachte komst stuurde ons plannetje volledig in de war.
- (overgankelijk) zorgen dat [een toestel] de gewenste taken uitvoert
- Met één enkele afstandsbediening kon ze alle elektronica bij haar thuis sturen.
- (overgankelijk) [een persoon] ergens heen doen gaan
- De leraar stuurde een van zijn obstinate leerlingen naar huis.
- (ditransitief) zorgen dat [een brief of ander bericht] zijn bestemming bereikt
- Elk jaar stuur ik mijn tante een kerstkaart.
- Ik stuur een brief.
- Ik stuur mijn moeder een brief.
- Ik stuur een brief aan mijn moeder.
- (overgankelijk) ~ tot (verouderd) [een woord of blik] tot iemand richten
- De norse veldheer stuurde een strenge blik tot zijn verzamelde bataljon.
Synoniemen
Vertalingen
2. het stuur van een auto bedienen.
4. de richting bepalen waarin [een voertuig] zich voortbeweegt.
5. zorgen dat [een toestel] de gewenste taken uitvoert.
6. [een persoon] ergens heen doen gaan
Opmerkingen
- [8] Het voorzetselgebruik bij de uitdrukking "een brief sturen" wordt beschreven door Taaladvies.
Zelfstandig naamwoord
sturen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord stuur
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Erfwoord in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Inergatief werkwoord in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Ditransitief werkwoord in het Nederlands
- Verouderd in het Nederlands
- Zelfstandig-naamwoordsvorm in het Nederlands