slager
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sla·ger
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | slager | slagers |
| verkleinwoord | slagertje | slagertjes |
Zelfstandig naamwoord
slager m
- een verkoper van vlees
- Hij is naar de slager voor gehakt.
- een slachter
- Pas op voor die slager!
- een wreed mens
- Die slager is erg gevaarlijk.
- (informeel) chirurg
- Ik moet morgen nog naar de slager.
Synoniemen
- [1] beenhouwer
- [2] slachter
Vertalingen
1. een verkoper van vlees
Overerving en ontlening
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.