slager

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sla·ger
enkelvoud meervoud
naamwoord slager slagers
verkleinwoord slagertje slagertjes

Zelfstandig naamwoord

slager m

  1. een verkoper van vlees
    Hij is naar de slager voor gehakt.
  2. een slachter
    Pas op voor die slager!
  3. een wreed mens
    Die slager is erg gevaarlijk.
  4. (informeel) chirurg
    Ik moet morgen nog naar de slager.
Synoniemen
Vertalingen
Overerving en ontlening

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen