sector
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sec·tor, sec·to·ren
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | sector | sectoren sectors |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
sector m
- deel van een cirkel in de vorm van een taartpunt.
- Berlijn was in de Koude Oorlog ingedeeld in sectoren.
- een vakgebied of bedrijfstak.
- In deze sector zit aardig de klad.
Vertalingen
1. taartpunt