schilder
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schil·der
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schilder | schilders |
| verkleinwoord | schildertje | schildertjes |
Zelfstandig naamwoord
schilder m
- (beroep) een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
- (beroep) een handwerksman die huizen schildert
Vertalingen
1. een kunstenaar die geschilderde afbeeldingen maakt
|
|
2. een handwerksman die huizen schildert
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| schilderen |
schilder
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schilderen
- Ik schilder.
- gebiedende wijs van schilderen
- Schilder!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schilderen
- Schilder je?