scheppen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- 1. Geluid: scheppen (1) (hulp, bestand)
- 2. Geluid: scheppen (2) (hulp, bestand)
Woordafbreking
- schep·pen
Woordherkomst en -opbouw
- [1] was oorspronkelijk een klasse 6 werkwoord.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| scheppen 'sxɛ.pə(n) |
schiep sxip |
geschapen ɣə'sxa.pə(n) |
| klasse 7 | volledig | 1 |
Werkwoord
scheppen
- het doen ontstaan uit niets.
- In het begin schiep God de hemel en de aarde.
- met een lepel of spaan een hoeveelheid materiaal uit een vat naar boven halen.
- Hij schepte wat soep uit de pan.
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| scheppen 'sxɛ.pə(n) |
schepte 'sxɛp.tə |
geschept ɣə'sxɛpt |
| zwak -t | volledig | 2 |
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
Vertalingen
Zelfstandig naamwoord
scheppen mv
- naamwoord meervoud van schep