schande
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schan·de
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schande | schandes |
| verkleinwoord | (schandetje) | (schandetjes) |
Zelfstandig naamwoord
- iets waarvoor men de minachting van anderen oploopt
- Het is geen schande iets voor je eigen taal te doen.