schakel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- scha·kel
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| schakelen |
schakel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schakelen
- Ik schakel.
- gebiedende wijs van schakelen
- Schakel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schakelen
- Schakel je?
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schakel | schakels |
| verkleinwoord | schakeltje | schakeltjes |
Zelfstandig naamwoord
- element van een keten