schaats

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schaats
enkelvoud meervoud
naamwoord schaats schaatsen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

schaats v/m

  1. een ijzer dat onder de schoenen wordt gebonden of aan de schoenen is vastgemaakt, om zich daarmee over het ijs te verplaatsen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
schaatsen

schaats

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schaatsen
    Ik schaats.
  2. gebiedende wijs van schaatsen
    Schaats!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schaatsen
    Schaats je?