overkomen

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • over·ko·men

Werkwoord

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overkomen
overkwam
overkomen
klasse 4 volledig
Niet scheidbaar

overkómen

  1. aan iemand iets ~: getroffen worden door een bepaalde gebeurtenis
    hem overkwam een vreselijk ongeluk

(scheidbaar)
óverkomen

  1. de andere kant bereiken
    het onweer is de rivier overgekomen.
  2. meest onbedoeld een beplaade indruk wekken op iemand anders
    dat kwam over als een hatelijke opmerking
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overkomen
kwam over
overgekomen
klasse 4 volledig
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Andere talen