opvolgen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
opvolgen opvolgend
opvolging opgevolgd
Uitspraak
Woordafbreking
  • op·vol·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van volgen met het voorvoegsel op-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opvolgen
volgde op
opgevolgd
zwak -d volledig

Werkwoord

opvolgen

  1. (overgankelijk) uitvoeren wat een ander aangeraden of bevolen heeft
    Hij besloot de goede raad niet op te volgen.
  2. (overgankelijk) iemands functie overnemen
    Het is niet duidelijk door wie deze koning opgevolgd werd, omdat het kleitablet beschadigd is.
Vertalingen