opstellen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- op·stel·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| opstellen |
stelde op |
opgesteld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
opstellen
- (overgankelijk) op zijn plaats zetten
- De camera's waren al opgesteld.
- (overgankelijk) op schrift zetten
- Het contract werd daarna snel opgesteld.
- (een theorie, een plan) ontwerpen
Zelfstandig naamwoord
opstellen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord opstel