opstel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- op·stel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | opstel | opstellen |
| verkleinwoord | opstelletje | opstelletjes |
Zelfstandig naamwoord
opstel o
- een korte en schriftelijke beschouwing van iets
- Van die toneelvoorstelling moet ik een opstel schrijven.
- (onderwijs) een oefening in het onderwijs waarin een opgegeven of gekozen onderwerp volledig behandeld wordt
- Het huiswerk voor morgen is een opstel schrijven over kauwgomgebruik in de school.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| opstellen |
opstel
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opstellen
- ... dat ik opstel.