ophangen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- op·han·gen
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ophangen |
hing op |
opgehangen |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
ophangen
- (overgankelijk) iets in een hangende positie bevestigen
- Ik heb je schilderijtje opgehangen.
- (inergatief) een telefoongesprek beëindigen
- Hij werd kwaad en hing op.
- (overgankelijk) aan de galg opknopen
- Hij werd vroeg in de ochtend opgehangen.
Vertalingen
1. iets in een hangende positie bevestigen