hangen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- han·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| hangen 'ɦɑŋ.ə(n) |
hing ɦɪŋ |
gehangen ɣə'ɦɑŋ.ə(n) |
| klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
hangen
- (inergatief) zich in een positie los van de bodem bevinden en door een bevestiging aan een ander voorwerp voor vallen behoed worden
- De appels hangen nog aan de boom.
- (inergatief) door ophanging -meest aan de nek- ter dood gebracht worden
- Barbertje moest hangen.
- (overgankelijk) door ophanging -meest aan de nek- ter dood brengen
- De misdadiger werd vroeg in de morgen gehangen.
Afgeleide begrippen
Zelfstandig naamwoord
hangen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord hang