hangen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • han·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hangen
'ɦɑŋ.ə(n)
hing
ɦɪŋ
gehangen
ɣə'ɦɑŋ.ə(n)
klasse 7 volledig

Werkwoord

hangen

  1. (inergatief) zich in een positie los van de bodem bevinden en door een bevestiging aan een ander voorwerp voor vallen behoed worden
    De appels hangen nog aan de boom.
  2. (inergatief) door ophanging -meest aan de nek- ter dood gebracht worden
    Barbertje moest hangen.
  3. (overgankelijk) door ophanging -meest aan de nek- ter dood brengen
    De misdadiger werd vroeg in de morgen gehangen.
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

hangen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord hang