kring
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kring
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kring | kringen |
| verkleinwoord | kringetje | kringetjes |
kring ; m
- een ronde figuur zoals een cirkel.
- Kinderen, ga maar in een kring staan!
- een gemeenschap van mensen die met elkaar omgaan.
- Dat is in deze kringen niet gebruikelijk.
- een ronde vlek op een tafelblad ontstaan doordat er een nat glas op gestaan heeft.
- Hier, gebruik een bierviltje, anders heb je kringen.