kanon
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ka·non
Woordherkomst en -opbouw
- Van Italiaans canna (buis). Op zijn beurt van Latijn canna (riet). Van Grieks kanna, verwant met Hebreeuws qane en Arabisch qanah (betekenis steeds: riet).
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kanon | kanonnen |
| verkleinwoord | kanonnetje | kanonnetjes |
Zelfstandig naamwoord
kanon o
- een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
- De vuursnelheid van het kanon werd aanzienlijk verhoogd.
- een drinkglas met dikke bodem of voet, gebruikt bij heildronken
Synoniemen
- [1] vlakbaangeschut
- [2] metzelaartje
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een instrument om explosieve projectielen weg te schieten
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.