kaak
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kaak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kaak | kaken |
| verkleinwoord | kaakje | kaakjes |
Zelfstandig naamwoord
- (anatomie) het beendergestel dat de mondholte omsluit en waarin de tanden en kiezen geplaatst zijn
- De dode dolfijn had een geboren afwijking en een gebroken kaak.
- (anatomie) een wang
- Hij gaf haar een kus op de kaken.
- (juridisch) een houten of stenen podest, waarop de te straffen misdadigers tentoon werden gesteld
- (voeding) hard meelgebak
Synoniemen
- [1] kakement
- [2] schandpaal
- [4] scheepsbeschuit
Afgeleide begrippen
- [1] kaakbeen, kaakchirurg, kaakchirurgie, kaakfractuur, kaakgewricht, kaakholte, kaakklem, kaakkramp, kaaklijn, kaakontsteking, kaakslag
- [4] zeekaak
Uitdrukkingen en gezegden
[1] De kaken op elkaar houden.
- Zwijgen, niets zeggen.
[2] Met beschaamde kaken staan.
- Blozend van schaamte.
[2] Ingevallen kaken.
- Holle wangen.
[3] Iemand aan de kaak stellen.
- Iemand onder de aandacht brengen.
[3] Iets aan de kaak stellen.
- Iets (verkeerds) onder de aandacht brengen.
Vertalingen
1. het beendergestel dat de mondholte omsluit en waarin de tanden en kiezen geplaatst zijn
3. een houten of stenen podest, waarop de te straffen misdadigers tentoon werden gesteld
4. hard meelgebak
iets aan de kaak stellen
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| kaken |
kaak
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaken
- Ik kaak.
- gebiedende wijs van kaken
- Kaak!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaken
- Kaak je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kaak | kake |
Zelfstandig naamwoord
kaak