kaak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kaak
enkelvoud meervoud
naamwoord kaak kaken
verkleinwoord kaakje kaakjes

Zelfstandig naamwoord

kaak v/m

  1. (palindroom) (anatomie) het beendergestel dat de mondholte omsluit en waarin de tanden en kiezen geplaatst zijn
    De dode dolfijn had een aangeboren afwijking en een gebroken kaak.
  2. (anatomie) een wang
    Hij gaf haar een kus op de kaken.
  3. (juridisch) een houten of stenen podest, waarop de te straffen misdadigers tentoon werden gesteld
  4. (voeding) hard meelgebak
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

[1] De kaken op elkaar houden.

  • Zwijgen, niets zeggen.

[2] Met beschaamde kaken staan.

  • Blozend van schaamte.

[2] Ingevallen kaken.

  • Holle wangen.

[3] Iemand aan de kaak stellen.

  • Iemand onder de aandacht brengen.

[3] Iets aan de kaak stellen.

  • Iets (verkeerds) onder de aandacht brengen.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kaken

kaak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaken
    Ik kaak.
  2. gebiedende wijs van kaken
    Kaak!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kaken
    Kaak je?

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord kaak kake

Zelfstandig naamwoord

kaak

  1. (palindroom) (anatomie) kaak