drang

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • drang
enkelvoud meervoud
naamwoord drang -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

drang m

  1. innerlijke neiging om iets te doen, aandrang, opwelling, neiging
    Hij voelde sterke drang om zich te bemoeien met de discussie, maar deed het toch niet.
  2. het dringen
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /ðṛɑŋ(g)/ (Etsbergs)

Bijvoeglijk naamwoord

drang

  1. smal
    «Dae drange vaarwaeg zörg ömmer veur väöler sjeepssjaaj doearcher bótsinger.»
    Dat smalle kanaal zorgt altijd voor veel schade aan schepen door botsingen.
  2. strak
    «Dooch tich dien sjoon get dranger aan. Zoea vallentj 'ie dich oet.»
    Trek je schoenveters wat strakker aan. Zo gaan ze los.
  3. nauw
  4. benauwd

Zelfstandig naamwoord

drang m

  1. benauwdheid
    «Mid dees hèts bekóm ich drang
    Met deze hitte krijg ik last van benauwdheid.
Verbuiging