herroepen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • her·roe·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
herroepen
herriep
herroepen
klasse 7 volledig

Werkwoord

herroepen

  1. (overgankelijk) zeggen dat iets, dat je eerder gezegd hebt, niet klopt
    Hij heeft haar eerst beschuldigd, maar later heeft hij dat herroepen.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen