groef

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
De linker plank met groef, de rechter plank met messing of veer.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groef

Werkwoord

vervoeging van
graven

groef

  1. enkelvoud verleden tijd van graven
    Ik groef.
    Jij groef.
    Hij, zij, het groef.
enkelvoud meervoud
naamwoord groef groeven
verkleinwoord groefje groefjes

Zelfstandig naamwoord

groef v/m

  1. lange en smalle uitholling, insnijding, diepe rand
    *In het tafelblad zit een lelijke diepe groef.
    *De man had allemaal groeven in zijn gezicht.
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • messing en groef, groef en messing
  • veer en groef, groef en veer
  • de groeven van een grammofoonplaat
  • de groeven in zijn voorhoofd
Vertalingen