glans
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- glans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | glans | glansen, glanzen |
| verkleinwoord | glansje | glansjes |
Zelfstandig naamwoord
glans m
- opmerkelijk lichtschijnsel door weerkaatsing
- De glans van de lak kan gemakkelijk hersteld worden met een goede wasbeurt.
- overdrachtelijk de schittering van een opmerkelijke daad, een unieke prestatie of een grote reputatie
- De aanwezigheid van de koningin gaf grote glans aan het jubileum.
Anagrammen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| glanzen |
glans
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van glanzen
- Ik glans.
- gebiedende wijs van glanzen
- Glans!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van glanzen
- Glans je?
Afrikaans
| stamtijd | |
|---|---|
| infinitief | voltooid deelwoord |
| glans |
geglans |
| volledig | |
Werkwoord
glans
Engels
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| glans | glans, glandes |
Zelfstandig naamwoord
glans