gift
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
- Van het Oudnederlandse *gift, van het Oergermaanse *giftiz, dat afgeleid is van *geban ("geven"). In het Middelnederlands kwam ook ghicht voor (vergelijk hiermee gracht < graft), maar de f werd hersteld naar analogie met geven.[1]
Woordafbreking
- gift
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gift | giften |
| verkleinwoord | giftje | giftjes |
Zelfstandig naamwoord
gift
- v/m geld of een voorwerp dat gegeven wordt en waarvoor men niets terug verlangt
- U zoekt een originele gift voor uw partner, ouders of vrienden?
- o vergif
Synoniemen
Afgeleide begrippen
- [1] toegift
Vertalingen
1. geld of een voorwerp dat gegeven wordt en waarvoor men niets terug verlangt
Verwijzingen
- ↑ Philippa, Marlies e.a. (2003-2009), Etymologisch woordenboek van het Nederlands (Amsterdam: Amsterdam University Press).
Engels
Woordherkomst en -opbouw
- Van het Oergermaanse *giftiz, dat afgeleid is van *geban ("geven"). Het Oudengelse gift betekende alleen "bruidsschat", dus de betekenis "geschenk" is waarschijnlijk overgenomen uit het Oudnoors.
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| gift | gifts |
Zelfstandig naamwoord
gift