gif
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- gif
Woordherkomst en -opbouw
- > gift > Duits: Gift. (In deze betekenis gebruikte Middelnederlands venijn.)[1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gif | giffen |
| verkleinwoord | gifje | gifjes |
Zelfstandig naamwoord
gif o
- een substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
Vertalingen
1. een substantie die in kleine hoeveelheden schadelijk of dodelijk is
Verwijzingen
- ↑ Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, door Johannes Franck, M. Nijhoff 1892
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gif | giwwe |
Zelfstandig naamwoord
gif
Oudnederlands
Werkwoord
gif
- gebiedende wijs enkelvoud van geuon: geef!