genezen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·ne·zen
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| genezen | genezend |
| genezing | genezen |
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| genezen /ɣən'ezə(n)/ |
genas genazen /ɣə'nɑs/ /ɣə'nazə(n)/ |
genezen /ɣə'nezə(n)/ |
| klasse 5 | volledig | |
Werkwoord
genezen
- (ergatief)gezond worden, herstellen van ziekte of verwonding
- Het was een wonder dat zij van deze dodelijke ziekte genazen.
- (overgankelijk) iemand gezond maken, helen
- Hij werd door een beroemd arts behandeld en genezen.
Vertalingen
1.
|
Bijvoeglijk naamwoord
genezen
- weer gezond geworden
- De genezen wond is nog wat gevoelig.