generiek
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- ge·ne·riek
Bijvoeglijk naamwoord
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | generiek |
| verbogen | generieke |
generiek
- (geneesmiddel) waarvan het patent is verlopen en dat zonder merknaam op de markt wordt gebracht.
- algemeen, niet specifiek
- (biologie) behorend tot of gerelateerd aan een geslacht
Vertalingen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | generiek | generieken |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
generiek v
- (Vlaams) de namenlijst aan het begin of eind van een film of televisieprogramma; begintitels / aftiteling