fris

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fris
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen fris frisser frist
verbogen frisse frissere friste
partitief fris frissers -

Bijvoeglijk naamwoord

fris

  1. zojuist schoongemaakt, prettig ruikend
    De badkamer is weer helemaal fris.
  2. ironisch: weinig te vertrouwen
    Frisse jongens zijn dat!
  3. ~ weer: aan de koude kant
    Het is een stuk frisser geworden.
  4. ~drank: een koele drank, meestal met koolzuurbelletjes
    Geeft u mij maar iets fris!
Vertalingen