exploiteren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| exploiteren | geëxploiteerd |
| exploitatie | |
Uitspraak
Woordafbreking
- ex·ploi·te·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| exploiteren |
exploiteerde |
geëxploiteerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
exploiteren
- (overgankelijk) draaiende houden met winst
- Henk wil graag een bedrijf voor reclamezuilen exploiteren.