doorbrengen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·bren·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorbrengen
bracht door
doorgebracht
zwak -cht volledig

Werkwoord

doorbrengen

  1. (overgankelijk) een zekere tijd ergens verblijven
    We hebben de vakantie in Zuid-Afrika doorgebracht.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen