dolen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dolen
doolde
gedoold
zwak -d volledig

Werkwoord

dolen

  1. (inergatief) doelloos, richtingloos rondlopen
    Het jonge gezin doolde dagenlang over straat.
    's Nachts doolde hij rusteloos door het stille huis.
Vertalingen