dolen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- do·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| dolen |
doolde |
gedoold |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
dolen
- (inergatief) doelloos, richtingloos rondlopen
- Het jonge gezin doolde dagenlang over straat.
- 's Nachts doolde hij rusteloos door het stille huis.